Preek in de viering op 3 en 4 januari 2026 in JDD
Openbaring des Heren, Drie Koningen
(Jes 60,1-6; Ef 3,2-3a.5-6; Mt 2,1-12)
In deze tijd van het jaar wanneer de nachten langer duren dan de dag komen velen naar de
kerk. Vooral dán: om naar Jezus, om naar het Kerstkind te zoeken.
Maar ook als het leven te donker is. Als we geen raad meer weten met ons verdriet; als
problemen ons boven het hoofd groeien. Dan zoeken we geborgenheid in de
geloofsgemeenschap die hier samen komt; voor velen als een soort tweede – ‘heilige’-
familie.
Als alles duister is dan zoeken we de kérn van ons geloof: in het Kind ooit geboren in een
Kerst Nacht. Maar: vóórdat wíj naar Jezus, Zoon van God, kunnen gaan, moest er éérst iets
anders gebeuren! God is éérst naar ons mensen toe moeten komen! De Heer heeft zich
éérst aan ons mensen willen openbaren. Dat vieren we vandaag: ‘Openbaring van de Heer.’
En ja, ook: ‘Drie Koningen’, want daar gaat het Evangelie over.
God heeft zich geopenbaard in de geboorte van Zijn Zoon. Een mensenkind geboren uit de
maagd Maria. Met een trouwe verloofde – Jozef – aan haar zij. Die geboorte werpt létterlijk
een nieuw licht in een duistere wereld van die tijd. Duister omdat het Joodse volk
onderdrukt wordt door een strenge Romeinse bezetter.
Dat is niet nieuw voor ze, want zes eeuwen eerder is het land ook al bezet: door de
Babyloniërs. Maar uiteindelijk maakt hun God een einde aan die duistere tijd; het licht
breekt weer door. Of, zoals Jesaja daarnet zei: ‘Sta op, Jeruzalem, schítter, uw licht is
gekomen!’
Licht dat alle duisternis overwint: dat is een kern van ons geloof. Veel verhalen in de Bijbel
gaan over het Licht. Al in het allereerste verhaal in de Bijbel brengt God Licht in zijn wereld.
‘In het begin schiep God de hemel en de aarde. …duisternis lag over de oervloed… God zei:
“Laat er licht zijn,” en er wás licht. God zag dat het licht goed was.’
In de Kerst Nacht zegt Jesaja: ‘Het volk dat wandelde in het donker, ziet een groot licht;
over hen die wonen in het land van de schaduw van de dood, is een licht opgegaan!’
En het Kerst Evangelie vertelt over de herders die in een donkere nacht, op de velden
buiten Bethlehem, op hun schapen passen. ‘De engel van de Heer kwam bij hen staan, en
de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen.’ Een groot hemels licht overwint de duisternis
van de nacht.
De engel belooft de herders: ‘…gij zult de Pasgeborene vinden, gewikkeld in doeken en
liggend in een kribbe.’ Omwille van dát Kind staan de herders op, – nu ze beschenen worden
door een hemels licht – want ze willen het Kind met eígen ogen gaan zien.
Zo vergaat het ook de Drie Koningen vandaag. Ook zíj zien een nieuw groot licht aan de
hemel. Ze weten dat in die richting Jeruzalem ligt. Ze herkennen in de ster het teken dat er
daar ergens een Koningskind is geboren. Omwille van dát Kind staan de Drie Koningen op.
En vinden uiteindelijk het Kind in de Kribbe, in een schamele stal bij Bethlehem.
God openbaart zich door als mens geboren te worden: in Jezus, Zijn Zoon. Hij laat zich
zien aan eenvoudige mensen: aan wat arme, Joodse, herders. Hij laat zich zien aan rijke
mensen: aan hoogstaande koningen uit een land vér naar het oosten.
Eind eerste eeuw schrijft apostel Paulus aan de Efeziërs dat ook niet-Joodse mensen –
heidenen – ‘…mede-erfgenamen, mede-leden en mede-deelgenoten zijn…’ van de blijde
boodschap van Christus. Iedereen staat in het licht van Christus. Mensen niet alleen uit het
Joodse volk, maar álle mensen, van waar ook ter wereld. Én: mensen van álle tijden.
Mensen komen telkens weer naar de Kerst Stal om iets van het Kind te ontdekken. Mensen
die het christelijke geloof van hun ouders geleerd hebben. En steeds vaker komen er jónge
mensen die van níet-christelijke huize zijn. Althans uit gezinnen waar de Bijbelse boodschap
geen rol van betekenis speelt. Jonge mensen die op de een of andere manier tóch iets
weten over ‘ene Jezus’, en daar méér over willen horen.
In de weken vóór de afgelopen Kerst kwamen jonge kínderen naar onze kerk. Talloze
groepen afkomstig uit twee scholen zijn de heilige familie in onze Kerststal komen
bezoeken; ze wilden het Kerst Kind zien. Eén school heeft zelfs een eigen Kerst Viering
gehouden in onze kerk.
Vanuit verbondenheid met de christelijke traditie, of louter uit oprechte nieuwsgierigheid:
hónderden mensen zijn de afgelopen Kerst dagen op het Kindje Jezus afgekomen. In het
vierend samen-zijn in deze kerk was – en is – iedereen welkom. Iedereen: van jong tot oud,
met een dikke of een heel bescheiden beurs, afkomstig van hier, of juist van ver weg.
Tegen iedereen willen wij zeggen:‘Sta op, schítter, want uw licht is gekomen!’ Moge de Heer
zich ook aan jóu openbaren; moge Zíjn Licht ook jóuw duister overwinnen!
Amen.
Han Hartog, januari 2026





